
We zijn een vierkoppige zeewezen. Vroeger zouden ze ons met het rondreizend circus meegestuurd hebben, als bezienswaardigheid. Nu transformeren wij ons in een geolied zeilteam en assimileren we naadloos tussen zeegedrochten en sirenes.

Ik ben het langst aan boord en fungeer als boegbeeld en hofnar in werkbikini; Robby is in Ibiza opgestapt en is oversteekgoeroe in lendendoek. Er zou een papagaai onder kunnen zitten. Dat weten wij niet. Bart en Gerard zijn na wereldreizen op het eiland Carloforte bij Sardinië ingescheept; Gerard nog met het zeeschuim achter de oren van zijn voorgaande zeiltrip. Bart met de nonchalante looks van de eeuwige student, die altijd nog wel één vraag heeft, die niemand weet te beantwoorden, behalve uiteindelijk hijzelf , met tomeloze creativiteit en energie, waar hij dan af en toe zelf aan ten onder gaat, wanneer hij ter plekke aan dek uit zijn werk, in slaap stort.

En dan Amsterdamse Gerard, levensondernemer en -genieter die zich naast de zeilerij wèl bekommert om aardse zaken als eten, drinken en slapen. De nuttige eigenschap die we alle vier gemeenschappelijk hebben – naast een diepe liefde voor zeilen en lachen – is dat we allemaal wel een drankje lusten en daar uitermate beroerd tegen kunnen. Dat schept een band. Met name tussen Gerard en Robby die ik stiekem, met wijnfles tussen de knieën geklemd, op het voordek aantref. Met dit sterrenteam gaan wij de elementen trotseren.

Voor we echter heldhaftige dingen met zeilen gaan ondernemen, moeten we eerst tot een slaapindeling komen. Aan boord hebben we namelijk twee dubbele kooien en één enkele kooi. ” Ja, Chantal, zeg het maar… Met wie van ons had jij het bed willen delen? Want je begrijpt natuurlijk wel dat wij, kerels, niet met elkaar in een bed gaan liggen.” zegt Robby met een sluw lachje. Dus toog ik ’s avonds, licht bokkend, met Robby hijgend in mijn aura, met de ducttape naar bed om daar een ferme scheidslijn te tapen. De Portugese windgong met duizend belletjes ( wie heeft ‘ m niet aan boord) hang ik erboven. Als luchtalarm.

Voor vertrek moeten we nog lang vergaderen over het beste systeem om wacht te lopen. We komen uiteindelijk tot een wachtschema dat zich vooral uitstekend leent voor mensen met verlatingsangst en diegenen die trippen op hogere wiskunde. Ik zal u niet vervelen met de details hier maar ik heb onder stil protest het schema uitgetekend, met namen, plaatsen en rollen erbij en boven de kaartentafel geplakt, omdat elke kans op onthouden of logischerwijs bedenken van ’s mans wachttijden, voor elk normaal mens uitgesloten is.

Die nacht verloopt rampzalig. Continue stiefelt er wel iemand de hut door, op of van wacht, of richting kaartentafel om te kijken of ‘ie op wacht zou moeten,of eraf. Belletjes rinkelen en Robby klaagt over tape op zijn rug. Ik staar naar het plafond. De lucht trilt. Door de hitte en het staccato gesnurk van Gerard. Gerard? Wie staat er dan op wacht? Ik spring in mijn verdedigingspyama uit bed de kuip in. Koerszeker en ongehinderd door onze bemoeienissen zeilt de Aloeita vredig door de nacht Sicilië tegemoet.
