
Van de kanaaleilanden heb ik altijd visioenen gehad van zonovergoten, subtropische eilanden met palmbomen, oleanders en koraalstranden in keihardstromende, kolkende zeeën. We naderen de eilanden dan ook met hóóggespannen verwachtingen. We zijn wel wat verrast over het loodgrijze, ondoordringbare wolkendek, maar misschien is het micro-klimaat van de kanaaleilanden gewoon heel erg buitengewoon micro. Met de tong buitenboord is het mikken om Alderney niet voorbij te vliegen met deze stroomsnelheden. Rotspartijen, stroomversnellingen; we staan op schérp! Motor bij, zeilen omlaag, nu alleen nog de havningang in piepen en laat maar kómen die cocktails en rieten rokjes! Hélaas: het oud Hollandse gezegde: ‘Al ziet men kerk en toren staan, toch is de reis nog niet gedaan’ blijkt wederom een waarheid als een zeekoe. In zicht van de haven gaat het alarm, motor valt af, Dagmar schreeuwt vanuit de salon en holt naar voren in een wolk van stoom uit het motorruim. Hans en Jan komen meteen in actie, werpen zich op het hijsen van de zeilen, ondersteund door Bjorn en proberen laverend tussen rotsen en banken de haven in te zeilen. Gehuld in thermokleding, zeilpak en zwemvest ( het is tenslotte nog steeds zomer), soepelbewegend als een sumo-worstelaar, hang ik ontredderd over de druipende motor. Het zweet loopt in straaltjes langs de anus en Dagmar vraagt angstig of we dit wel gaan overleven…

Wij werden niet welkom geheten door schaars geklede, heupwiegende dames met bloemenslingers om. Sterker nog: dit was Schiermonnikoog! Toch de navigatie nog even gechecked. Hadden wij te diep in het Calvadosglaasje gekeken? Door een ‘slight drizzle’ turen we naar de plotter: Welcome to Alderney, Britain’s most subtropical surprise!