Aloeita en ik zijn de afgelopen jaren vol het leven ingedoken. Het was heerlijk! We hebben genoten! Nu zijn we een beetje afgeragd en toe aan een grote beurt: strak trekken, smeren, doorblazen…

Het leven op de werf is ook een feest. Picknickend in de kuip, met het straalgrid tussen de kiezen komt er een wuivende, markante Fransman te boot op de botenwagen voorbij gereden. Zijn kiel is aan flarden. Ik heb al veel over hem gehoord en ben benieuwd! Maar eerst ga ik een dagelijkse portie geld brengen aan de voormalige werfeigenaar met wie ik het werk aan de Aloeita heb afgesproken. Door de daglimiet bij de bank mag ik nog zo’n 15 keer naar de stad op en neer om de poet te verzamelen. Polaroid zat er niet in.

Bij de voormalig werfbaas staat ook De Fransman druk te gesticuleren. Hij wil dat zijn kiel gerepareerd wordt en het geld daarvoor wil hij nu aan hem kwijt en hij moet weg want hij heeft een afspraak en hij moet nog een auto regelen. Dat de werfbaas de werfbaas niet meer is en dat er voortaan wit gelapt moet worden, zal hem volledig aan zijn derrière oxideren. De discussie gaat volledig over de kop over de GrieksFransEngelse taalbarrière. Afijn, klodders speeksel, bankbiljetten door de lucht.

Ik heb een klein Aha! momentje. Op mijn knieën bankbiljetten rapend, stel ik De Fransman voor om zijn cash over te nemen en dat ik dan zijn factuur per bank voldoe. Ik heb ook een auto op de werf die ik mag lenen van een Turkse vriend dus ik kan ‘m ook naar zijn afspraak bij de marmerboer brengen. We hebben een deal, als ik maar een beetje opschiet, zegt De Fransman. De werfbaas is allang weer verdwenen. Dus ik prop de bankbiljetten in het handschoenenvakje en we gaan vite en route naar de marmerslager.

Weken later belt de Turkse vriend. Hij ligt met zijn bootje lekker in het water en kan wel een paar (vrouwen)handen gebruiken. Dus: de boel, de boel. Om onverklaarbare Griekse redenen gaat het vliegtuig niet. Nou heeft de nieuwe werfbaas Giannis een vliegbrevet en een vliegtuigje. Ik zie ongekende mogelijkheden en heb visioenen van met een duikbril op in een dubbeldekker loopings maken. Tijdens de koffie vraagt Giannis of we weleens in het kerkje in de baai naast de werf hebben gekeken. Daar staat een beeld met inscriptie dat hij geschonken heeft aan de heilige uhhh, Hmmhmmus. Als dank voor het overleven van een spectaculaire, wonderbaarlijke noodlanding nadat het enige itempje van de safety checklist dat ze niet gecheckt hadden ermee uit schee. Afijn, ik pak de ferry.

Het is vakantie binnen de vakantie. We beginnen met een diepte onderzoek naar de ouzo op het eiland Aegina en stuiten op een Amerikaanse Griek met familie die zichzelf hartelijk uitnodigen voor een brunch aan boord met aansluitend een zeiltochtje. ’s Ochtends stoffen we onszelf af en na de laatste hap ontbijt komt het gezelschap aan en het blijft maar komen; mensen, drank, eten; de hele boot afgekegd. Uiteraard is er geen spetter wind dus we nemen de rosékoers. Er wordt gedansd, De Amerikaanse Griek versiert De Turk, af en toe valt er iets of iemand van boord en de riemen van de dingy gaan verloren. Het gezelschap dreigt de ferry terug te missen maar zoals het goed zeemanschap betaamt, gaat er een tandje bij, snijden we de ferry en meren af aan diens ligplek zodat alles toch nog goedkomt.

Twee weken laten komen we weer aan op Chios en ankeren we bij Komi. Vriend Jan is onderweg per vliegtuig en daarin blijkt ook De Fransman te zitten. Ze kennen elkaar niet maar worden per telefoon aan elkaar geïntroduceerd en rijden in konvooi naar het strand waar bij de taverna al een hele grote vis klaar staat. Jan komt aan boord slapen maar De Fransman gaat richting werf. De volgende ochtend kiezen we de weg van de minste weerstand: ontbijt op het strand. Het is wat bewolkt en Jan wil z’n schoenen nog aantrekken. Ik zeg ‘ welnee, nergens voor nodig. Wat wil je daar dan mee?’ en we springen in de bijboot. Starten en we knorren weg. 20 meter verder kapt de bbmotor ermee.

We trekken ons een ongeluk maar starten zit er niet in. ‘ Maar even roeien dan’, zegt Jan. Lastig geval, want er zijn geen riemen. Jan mompelt nog iets over goed zeemanschap en we buigen ons over de motor. Er is uiteraard geen gereedschap in de dinghy dus veel verder dan kijken komen we niet. Omstebeurt proberen we te starten en ondertussen steekt de wind op. We verwaaien Westelijk, de baai uit. Of toch net niet. Want er is nog een pittig rotspartijtje en daar koersen we langzaam maar heel zeker op af. Ik krijg de slappe lach, Jan een hartinfarct. ‘Ik denk dat ik de boot wel zwemmend terug kan krijgen’, zeg ik. ‘Ik denk dat we dood gaan’, zegt Jan. ‘Ach, we kunnen altijd nog op de rotsen klimmen’. ‘Ik heb geen schoenen aan, zegt Jan, we slaan te pletter’. Vahit belt de taverna voor hulp; ze gaan proberen een visser te sturen. We kunnen de mosselen op de rotsen al ruiken… Even denken we dat er een visser op ons afkomt en we zwaaien en schreeuwen maar hij buigt af en verdwijnt voor de rotsen. Het is uur U: we besluiten onze telefoons in de waterdichte tas te doen en ons uit te kleden. Graaiend in mijn zakken voel ik een onbekende bult. Jan en Vahit kijken me glazig aan als ik duizenden euro’s in biljetten van 50 in de tas prop. Vergeten.

Vahit geeft nog één laatste ruk aan de bbmotor. Neeeee, hij start! We varen uitzinnig in plané richting het strand. Voorbij de rotsen zien we het vissersbootje bij een dinghy, verder is er geen kip te bekennen. Het waait nu hard en we zijn doorweekt. Vlak bij het strand halen de vissers ons in; ze roepen en gesticuleren niet al te vriendelijk. Het zullen toch niet de vissers zijn die naar ons gestuurd zijn? Ja, dat zijn ze wel, zeggen ze. Alleen zijn ze naar de verkeerde dinghy gevaren… Die leeg bleek te zijn…En toen hebben ze ‘m maar ook sleeptouw genomen… Tot er een hele boze mevrouw met een drietand uit het water opdook… Die na het speervissen haar bootje kwijt was…
Het werd bier voor ontbijt. Geen whisky on the rocks